Alle berichten van silviabunt@gmail.com

Gemeenten aan zet om zwerfjongeren met schulden toe te leiden naar werk of opleiding

Rapportage_onderzoek_zwerfjongeren_en_schulden
Slim Beleid heeft, samen met Labyrinth Onderzoek & Advies in opdracht van de ministeries van SZW, VWS en OCW een onderzoek uitgevoerd naar zwerfjongeren en schulden. De resultaten zijn op 12 juni 2018 in een brief aan de Tweede Kamer bekend gemaakt.

In dit onderzoek wordt op basis van interviews en enquêtes onder professionals en zwerfjongeren zelf een beeld geschetst van de kenmerken en achtergronden van de groep zwerfjongeren, zowel wat betreft schuldenproblematiek als wat betreft de situatie met betrekking tot werk of opleiding. Onderzoekers schetsen knelpunten en belemmeringen die zich voordoen bij toeleiding naar werk of opleiding en beschrijven inspirerende praktijkvoorbeelden voor het vergroten van de participatie van deze groep op de arbeidsmarkt en het onderwijs. Tot slot benoemen zij oplossingsrichtingen die kunnen bijdragen aan verbetering van toeleiding van zwerfjongeren met schulden naar werk of opleiding.

Beeld van de zwerfjongeren

Het aantal dakloze jongeren (18-27 jaar) is volgens het CBS sinds een aantal jaar stijgende. Op 1 januari 2016 betrof het 10.700 jongeren in Nederland. Het grootste deel van deze jongeren heeft complexe, meervoudige problematiek. Dit blijkt ook uit de interviews met zwerfjongeren. Veel zwerfjongeren zijn bijvoorbeeld in contact geweest met jeugdzorg en hebben agressieproblemen. Ze zijn bezig met overleven. Landelijk is bekend dat bijna 25% van de zwerfjongeren zwakbegaafd is of een verstandelijke beperking heeft. Veel zwerfjongeren die al in zicht zijn bij een vorm van hulpverlening zitten in budgetbeheer of bewindvoering. Uit de interviews blijkt dat de zwerfjongeren vaak niet goed snappen wat er met hun financiën gebeurt en hier graag meer inzicht in zouden willen hebben, zodat ze er iets van kunnen leren.

Knelpunten en belemmeringen

Knelpunten en belemmeringen liggen voor een groot deel buiten de jongeren zelf, bijvoorbeeld als het gaat over beëindiging van jeugdzorg als de jongere 18 jaar wordt en er onvoldoende continuïteit van hulpverlening is. Ook is het inkomen vaak te laag voor de huurprijzen die gevraagd worden, en wordt vaak als voorwaarde voor toelating tot schuldhulpverlening gesteld dat iemand een stabiel woonadres heeft of geen nieuwe schulden maakt. Dit blijken voor veel zwerfjongeren moeilijk haalbare voorwaarden. Daarnaast wordt als knelpunt genoemd dat communicatie door instanties vaak niet aansluit op de belevingswereld van jongeren, waardoor zij belangrijke informatie missen. In sommige gevallen ontbreekt een passend onderwijsaanbod. Ook een gebrek aan kennis bij professionals over mogelijkheden om bijvoorbeeld schuldhulp te bieden als iemand studiefinanciering ontvangt wordt als knelpunt benoemd.

Knelpunten en belemmeringen zijn er ook voor de jongeren zelf: het hebben van een licht verstandelijke beperking of psychische problematiek maken jongeren extra kwetsbaar voor schulden. Door zorgen over de schulden en hoe ze kunnen rondkomen ervaren zij veel stress, wat de focus op werk of opleiding bemoeilijkt of zelfs onmogelijk maakt. Daarnaast hebben veel jongeren reeds een lange geschiedenis met hulpverleningstrajecten achter de rug en zijn zij moeilijk te motiveren voor nieuwe hulpverlening.

Oplossingsrichtingen

Vanwege het grote aantal betrokken organisaties, de complexiteit van de problematiek van zwerfjongeren en de diversiteit aan knelpunten is er geen eenvoudige overall-oplossing te geven. Er is daarentegen op meerdere vlakken en bij diverse typen organisaties werk aan de winkel om de situatie voor zwerfjongeren met schulden te verbeteren. Hieronder staan de belangrijkste:
◾De invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet zal er toe leiden dat geen onderscheid meer wordt gemaakt naar leeftijd bij de vaststelling van de beslagvrije voet en de jongeren maandelijks een hoger bedrag overhouden om van te leven.
◾Als belangrijk aandachtspunt wordt ook de wijze van communicatie door instanties genoemd. Voor de communicatie met de jongeren betekent dit dat de focus zou moeten liggen op eenvoudig en voor de jongeren begrijpelijk taalgebruik en op motiverende gespreksvoering. Voor communicatie met schuldeisers betekent dit dat het loont om te investeren in het geven van uitleg over de situatie van de jongere en in het toelichten van de voordelen die het voor de schuldeiser heeft om medewerking te verlenen aan het schuldhulpverleningstraject.
◾Het onderzoek geeft aan dat veel winst is te behalen door kennisbevordering bij professionals, bijvoorbeeld als het gaat om de mogelijkheden voor schuldhulpverlening aan iemand met studiefinanciering of het begeleiden van mensen met een licht verstandelijke beperking of psychische problematiek bij financiële problemen.
◾Andere oplossingen liggen in het goed begeleiden van de overgang van 18- naar 18+ door gemeenten, maar ook in het bieden van stress-sensitieve hulp- en dienstverlening aan deze jongeren, waarbij rekening wordt gehouden met het effect van stress vanwege schulden en geldgebrek op iemands vermogen om verstandige beslissingen te nemen.
◾Aandacht is nodig voor het belang van preventie van schulden, zowel door schuldeisers, die een belangrijke rol kunnen spelen bij het voorkomen en oplossen van betalingsachterstanden bij hun klanten, als bijvoorbeeld via het aanleren van financiële vaardigheden aan jongeren in het onderwijs.
◾Voor jongeren van 18 tot 21 jaar geldt een lagere bijstandsnorm omdat ouders verplicht zijn hun kinderen tot 21 jaar te onderhouden. Daarnaast kun je als jongere recht hebben op bijzondere bijstand als je je onderhoudsrecht jegens je ouders niet te gelde kunt maken. Zwerfjongeren kunnen vaak geen beroep doen op hun ouders, bijvoorbeeld doordat hun relatie met ouders is verstoord, dus is aanvullende bijzondere bijstand voor deze groep waarschijnlijk regelmatig nodig. In hoeverre gemeenten op basis van hun beleidsregels zwerfjongeren deze mogelijkheid van bijzondere bijstand überhaupt bieden, is niet bekend, maar zeker het onderzoeken waard.
◾Maar liefst 50% van de ‘schuldhulpverleners’ geeft in de enquête aan dat zij te weinig tijd krijgen om hulp goed op te zetten omdat de werkdruk te hoog is. Het verlagen van caseload, waardoor schuldhulpverleners onder andere meer tijd kunnen besteden aan moeilijkere doelgroepen, waaronder zwerfjongeren, is wenselijk.
◾Tot slot worden veranderingen in het onderwijs zelf genoemd, waardoor deze jongeren onderwijs op maat kunnen volgen.

Gemeenten aan zet

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de schuldhulpverlening en de kwaliteit van dienstverlening. Zij staan het dichtst bij de mensen om wie het gaat en kunnen hen integrale en passende dienstverlening aanbieden. De in het rapport ‘Zwerfjongeren en schulden’ beschreven voorbeelden van gerichte aanpakken in vier gemeenten laten zien dat het toeleiden naar opleiding of werk voor deze groep jongeren mogelijk is en dat hun een uitweg uit de schulden geboden kan worden.

Risico op financiële problemen bij vluchtelingen te groot

Bron: Republiek Allochtonie, 20 april 2018

In een onderzoek dat ik heb uitgevoerd in Zaanstad naar maatwerk door de wijkteams, ben ik in contact gekomen met een vluchteling wiens schulden waren begonnen doordat hij zijn ziektekostenverzekering niet goed had geregeld en zijn vrouw wegens complicaties tijdens haar zwangerschap acuut naar het ziekenhuis moest. Dit had een forse ziekenhuisrekening tot gevolg die ze niet konden betalen. Sindsdien ben ik mij bewust van het hoge risico dat vluchtelingen lopen op schulden, als zij niet voldoende worden toegerust op het ingewikkelde financiële systeem in Nederland en op het omgaan met inkomsten en uitgaven. Met dit artikel hoop ik meer aandacht te genereren voor dit probleem, inzage te geven in de oorzaken en gemeenten tot actie aan te zetten.

Start van bestaan met leningen

Vluchtelingen starten hun bestaan in Nederland vaak met leningen. Om hun huis in te richten, ontvangen ze een budget voor inrichtingskosten van de gemeente. Matrassen, beddengoed, koelkast, tafel en stoelen: alles moet worden aangeschaft. Dit budget betreft in de meeste gemeenten een lening die moet worden terugbetaald. Daar komen nog kosten voor het inburgeringstraject en soms ook gezinshereniging bovenop. De lening voor het inburgeringstraject hoeft weliswaar niet te worden terugbetaald als de vluchteling op tijd zijn diploma haalt of ontheffing/vrijstelling heeft. In de andere gevallen moet deze lening echter wél worden terugbetaald, maar dat is lang niet altijd helder voor vluchtelingen.

Risico op financiële problemen is groot

De exacte omvang van financiële problemen onder vluchtelingen is nog nooit onderzocht. Maar, ter illustratie: Ruim de helft van de 345 statushouders die in 2015 in Breda werd gehuisvest heeft financiële problemen. Dat blijkt uit een analyse van de gemeente Breda in 2017. De statushouders kampen met betaalachterstanden en begrijpen vaak niet goed hoe het financiële systeem in Nederland werkt.

Oorzaken financiële problemen

Uit een recente publicatie van het Kennisplatform Integratie en Samenleving komt een aantal specifieke redenen naar voren waardoor vluchtelingen snel in de financiële problemen komen en schulden kunnen krijgen.

Bij vestiging in de gemeente, kan de aanvraag van documenten en toeslagen vertraagd worden waardoor schulden kunnen ontstaan. Een voorbeeld hiervan is dat er verwarring kan ontstaan bij

namen van Eritreeërs, die verschillend geschreven staan op de verblijfsvergunning en de bankpas, waardoor de Belastingdienst toeslagen niet toekent en er eerst een nieuwe bankpas met overeenstemmende naam moet worden aangevraagd.

Ook kunnen schulden ontstaan doordat vluchtelingen hun uitkering niet altijd direct ontvangen. Huur- en zorgtoeslag worden gemiddeld na vijf weken uitgekeerd. Bovendien worden kindgebonden toeslagen soms te laat gestort. Tot slot komt het voor dat het maximum bedrag van de huurtoeslag eigenlijk niet toereikend is. Bijvoorbeeld omdat de goedkopere sociale huurwoningen niet meer beschikbaar zijn, waardoor het verschil tussen de verkregen huurtoeslag en huurprijs relatief groot is.

Het is moeilijk voor vluchtelingen om hun inkomsten en uitgaven overzichtelijk te krijgen. Het feit dat je bijvoorbeeld een zorgverzekering betaalt, maar nog wel een eigen risico voor zorgkosten moet betalen (385 euro in 2017) kan verwarrend zijn. Ook zijn vluchtelingen soms niet voorbereid op bepaalde facturen, zoals de eindnota van gas, water en licht. Mensen weten zelf vaak niet hoeveel geld ze per maand te besteden hebben en welke rekeningen er nog gaan komen. Dit heeft tot gevolg dat veel statushouders het geld dat ze van de gemeente ontvangen, direct weer uitgeven, zo gaven enkele gemeenten aan die door KIS zijn geïnterviewd.

Bij het ontstaan van financiële problemen, speelt taal natuurlijk een rol. Hoewel vluchtelingen al in het asielzoekerscentrum beginnen met taallessen, is hun niveau van de Nederlandse taal in het begin vaak niet voldoende om bijvoorbeeld belastingaangifte te doen. Veel formulieren zijn bovendien alleen in het Nederlands verkrijgbaar. Een aantal vluchtelingen die naar Nederland komen, is analfabeet, waardoor het voor hen überhaupt lastig is om schriftelijk informatie te lezen en financiële zaken te regelen.

Vluchtelingen die zich als statushouder in een gemeente vestigen lopen kortom een hoog risico op het ontstaan van schulden. Dit komt door het lastige financiële systeem in Nederland , de grote hoeveelheid regelingen en instanties waar zij opeens mee te maken krijgen, hun (zeker in het begin) beperkte kennis van de Nederlandse taal, hun lage inkomen (na het krijgen van een verblijfsvergunning asiel in 2014 had gemiddeld slechts 11 procent van de 18- tot 65-jarige statushouders werk) en de leningen waarmee zij starten.

Oplossingen

Mijn conclusie is dat statushouders, vooral de eerste tijd na huisvesting, serieuze en professionele begeleiding nodig hebben om hun financiële huishouding goed op orde te krijgen. Hiermee kunnen schulden worden voorkomen. Een serieuze investering vanuit gemeenten op dit punt, zal wel eens kosteneffectief kunnen blijken te zijn. Een driejarig traject schuldhulpverlening (minnelijk) kost immers naar schatting zo’n €4.500,-(gebaseerd op effectencalculator).

In de publicatie van KIS staan twee voorbeelden genoemd van dergelijke ondersteuning. Als eerste het project Euro-Wijzer. In dit project helpt VluchtelingenWerk Nederland vluchtelingen om financieel zelfredzaam te worden en (verdere) schulden te voorkomen. Het project maakt gebruik van groepsgewijze trainingen en vrijwillige budgetcoaches. Hiervoor ontwikkelde het Nibud speciaal materiaal dat aansluit bij de belevingswereld en context van vluchtelingen. In de training werken mensen aan concrete doelen zoals een ordelijke thuisadministratie, omgaan met digitaal betaalverkeer, vooruit plannen in het uitgavenpatroon en aanvragen van bestaande voorzieningen. Daarnaast konden vluchtelingen terecht op regionale spreekuren. Het project zal in 2018 in verschillende gemeenten verder uitgerold worden.

Verder ontwikkelde Kredietbank Nederland een startpakket voor vluchtelingen dat op dit moment in uitvoering is in de gemeenten Tytsjerksteradiel en Leeuwarden. In Tytsjerksteradiel krijgt de statushouder hierdoor binnen één week een woninginrichtingskrediet zodat deze binnen de gestelde termijn van twee weken kan verhuizen. Daarnaast wordt ervoor gezorgd dat de uitkering wordt aangevraagd, dat alle statushouders over een DigiD code beschikken en dat de toeslagen juist worden aangevraagd. Vervolgens worden “tijdelijk” de huur, gas, elektra, water en de ziektekostenverzekering betaald. Er zijn zeer korte lijnen met Vluchtelingenwerk en de statushouders krijgen hulp bij het bijhouden van hun financiële administratie. De ervaringen in Tytsjerksteradiel zijn positief. Sinds dit project is gestart zijn er in de gemeente twee statushouders in de financiële problemen gekomen, terwijl er bijna 100 zijn gehuisvest.

Experimenteer en leer!

Bron: Column in Sociaal Bestek, juni/juli 2017

De experimenteerdrift van gemeenten in het sociaal domein neemt toe. Een voorbeeld zijn de experimenten Participatiewet. Hierin wordt bekeken wat echt werkt om mensen aan het werk te krijgen, met behulp van onderzoek. Gemeente Zaanstad is nooit bang voor het experiment en is in 2015 gestart met de pilot maatwerkbudget. Deze pilot had tot doel slagvaardig ondersteuning te bieden aan inwoners met financiële (en sociale) problemen door de wijkteams en jeugdteams. De gemeente hoopt hiermee de escalatie van financiële problemen bij inwoners te voorkomen en maatschappelijke participatie te bevorderen. De evaluatie van deze pilot is in opdracht van het ZonMw programma Vakkundig aan het werk uitgevoerd door het Verwey-Jonker Instituut en Silvia Bunt van Slim Beleid.

Nieuw in deze pilot was de grote ruimte die de professional krijgt voor het maken van een integrale afweging van wat de cliënt nodig heeft om maatschappelijk te participeren, met als doel echt maatwerk te bieden. De gemeente heeft vooraf nauwelijks criteria opgesteld voor de toekenning van maatwerkondersteuning. Het was juist de bedoeling om medewerkers vrijheid te bieden en te laten leren in de praktijk. Het bedrag aan maatwerkondersteuning (er geldt geen minimum of maximumbedrag) wordt binnen 24 uur betaald aan een organisatie, zonder inhoudelijke toets. Dit betekent dat de gemeente meedenkt met de burger over wat hij wil bereiken en kijkt of dit past binnen de doelstelling van de wetten van het sociaal domein . In praktijk wordt maatwerk veel ingezet bij cliënten met schulden, waarbij de schuldsituatie maakt dat mensen in armoede leven en daardoor belemmeringen ervaren op weg naar maatschappelijke participatie.

De resultaten van de pilot op de korte termijn waren veelal positief. Bij zestien van de twintig onderzochte casussen is het korte termijn doel van het maatwerkbudget bereikt. In de resterende gevallen is het doel bij drie casussen slechts deels bereikt en in één geval heeft de inzet van het maatwerkbudget niet tot het beoogde resultaat geleid. Bij tien casussen is ook bekeken of de maatschappelijke kosten zonder inzet van maatwerk naar verwachting hoger waren geweest. Dat bleek bij zeven van de tien casussen het geval. Bij twee casussen waren de verschillen beperkt en in één situatie waren de kosten van het maatwerkbudget juist hoger dan in de situatie zonder maatwerkondersteuning.

Nu hoeven gemeenten die meer maatwerk willen bieden niet altijd hun toevlucht te zoeken tot een nieuwe regeling of pilot. Op basis van het onderzoek in Zaanstad blijkt dat de realisatie van de doelen van maatwerkondersteuning vaak ook mogelijk was geweest op basis van toekenning van bijzondere bijstand. Dat vereist wel een mentaliteitsverandering én verandering in de werkprocessen. Enerzijds moeten de grenzen van de regels van de bijzondere bijstand worden opgezocht. Een mooi hulpmiddel hierbij in de praktijk is de omgekeerde toets van Stimulansz. Anderzijds moet het in bepaalde spoedeisende gevallen, zoals bijvoorbeeld een dreigende huisuitzetting, mogelijk worden bijzondere bijstand sneller toe te kennen.

Dit is één van de praktische aanbevelingen aan gemeenten die de evaluatie van deze pilot heeft opgeleverd. Dat toont aan dat het ZonMw-programma bijdraagt aan het ontwikkelen van kennis, waar de gemeentelijke uitvoeringspraktijk én de burger van kunnen profiteren. We hopen dat gemeenten blijven experimenteren met “wat werkt” en hierbij de samenwerking met onderzoekers zoeken.

Silvia Bunt, freelance adviseur/onderzoeker bij Slim Beleid
Monique Stavenuiter, onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut

Pilot maatwerk in Zaanstad krijgt voortzetting in structureel beleid

Zaanstad is in 2015 gestart met de pilot ‘maatwerkondersteuning’. Dit budget is bijzondere bijstand die binnen deze pilot op een andere manier wordt toegekend: als smeermiddel en vangnet als andere wet- en regelgeving niet meer toepasbaar waren. Wijkteammedewerkers kregen het vertrouwen om bij inwoners in (verborgen) armoede in te schatten of ze geholpen zouden zijn met een bijdrage uit het maatwerkbudget. Deze pilot is door Silvia Bunt geëvalueerd, samen met het Verwey-Jonker Instituut. Zaanstad heeft nu besloten hoe men verder wil met het maatwerk binnen de bijzondere bijstand.

Vanuit de ervaringen binnen de pilot heeft Zaanstad geleerd dat bijzondere bijstand vaak beter na een goed gesprek in het wijkteam toegekend kan worden, dan door een centrale afdeling van de  gemeente. Bij deze werkwijze, zoals in de pilot is uitgetest, gebruikt de regisseur van het wijk- of jeugdteam de bijzondere bijstand als middel in een plan met een duidelijk (lange termijn) doel en een beschrijving van de complete situatie.

Uit een nadere verkenning door de gemeente bleek echter dat het niet efficiënt en effectief is om alle kosten bijzondere bijstand in de toekomst via het wijk- of jeugdteam te laten lopen. Daarom is gekozen voor een splitsing in werkwijze, afhankelijk van het type vergoeding dat wordt gegeven:

Er zijn vergoedingen waarvan is vastgesteld dat deze kosten noodzakelijk zijn. Voor deze kosten wordt een centraal digitaal proces ontwikkeld via een vast formulier bijzondere bijstand, dat eenvoudig en snel is. Daarnaast behouden de regisseurs van de wijkteams de mogelijkheid om, net als tijdens de pilot maatwerk, te doen wat nodig is om mensen uit armoede te halen of houden. Basis hiervoor vormt het maatwerkgesprek dat zij voeren met burgers. Deze werkwijze voor de toekenning van bijzondere bijstand is geen andere werkwijze dan regisseurs nu al gewend zijn in de pilot maatwerk.

Twee vormen van toegang tot bijzondere bijstand
Zaanstad kiest er dus voor om de toegang tot bijzondere bijstand voortaan structureel op de onderstaande twee manieren te gaan regelen:

Centraal digitaal aanvraagproces
Er komt één centrale digitale toegang voor bijzondere bijstand middels een vast formulier waarmee verschillende vaststaande kostenvergoedingen en de Collectieve zorgverzekering in één keer, eenvoudig en overzichtelijk kunnen worden aangevraagd. Dit betreft een aantal vooraf gedefinieerde kosten die noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld kosten voor de Raad voor Rechtsbijstand, rechtbank (bijvoorbeeld bewindvoering), afspraken met maatschappelijke partners zoals bijvoorbeeld het COA (binnen twee weken inrichtingskosten na toekenning van een woning aan een statushouder) of aanvragen waarbij de lage drempel prefereert (Meedoen Zaanstad). Deze manier van werken gaat bijvoorbeeld ook gelden voor de Individuele inkomensvoorziening (IIT) en de Individuele Studietoeslag (IST). Deze aanvragen worden door medewerkers op het gemeentehuis getoetst en toegekend op vooraf gestelde criteria zoals de 110% inkomensnorm. Hierbij wordt uitgegaan van het netto besteedbaar inkomen (en dus rekening gehouden met beslagen, de WSNP en minnelijke trajecten). Mocht een inwoner op basis van deze criteria niet in aanmerking komen voor een vergoeding, dan volgt een verwijzing naar het wijkteam.

Daarnaast mogelijkheid maatwerk door wijkteams
Het centrale en snelle digitale aanvraagproces biedt echter minder mogelijkheden om rekening te houden met de persoonlijke situatie en daarmee om maatwerk te verstrekken. Daarom behouden de medewerkers van de wijk- en jeugdteams ook de mogelijkheid om, net als in de pilot, bijzondere bijstand toe te kennen. Wel is een verschil dat er tijdens de pilotperiode geen beschikking werd afgegeven. Dit gaat nu veranderen. Het proces start met het maken van een goed financieel overzicht van het huishouden. Dit wordt het startpunt voor het gesprek in het wijk- en jeugdteam op het leefgebied inkomen en financiën.  De nieuwe werkwijze is gebaseerd op een ‘gezond verstand berekening’. Hoeveel geld komt er binnen (en kan dit verhoogd worden?), wat gaat er uit (en kan dit verlaagd worden?), wat blijft er onder de streep over en kan je daarmee betalen wat je nodig hebt?

De 110% inkomensnorm is niet altijd heilig
Op dit moment worden alle minimaregelingen in Zaanstad toegekend op basis van een draagkrachtberekening met strikte inkomensnormen.  Deze 110% grens blijft in de nieuwe werkwijze gelden voor de kosten die centraal digitaal aangevraagd kunnen worden. Maar deze strikte inkomensgrenzen laat de gemeente Zaanstad bewust los bij het maatwerkgesprek door het wijkteam. Indien er hoge noodzakelijke uitgaven of schulden zijn, kan het namelijk voorkomen dat de maandelijkse bestedingsruimte te laag is om kosten te betalen om bijvoorbeeld de situatie te doorbreken (verhuizen, training volgen, overstappen zorgverzekeraar, schulden niet hoger laten oplopen als er geen andere mogelijkheden meer zijn, etc.). In dat geval krijgt de regisseur de ruimte om te doen wat nodig is zonder de inkomensgrens te hoeven hanteren. Hier is de motivatie waaróm er afgeweken wordt van de norm essentieel.

Hoe nu verder?
De gemeente Zaanstad gaat de komende tijd de bovenbeschreven werkwijze in detail uitwerken in werkprocessen, bijbehorende formulieren en de nodige ondersteuning/scholing voor de wijk- en jeugdteams.

Meer informatie
Neem voor meer informatie over dit artikel, over maatwerk of voor beleidsadvies/onderzoek over wijkteams contact op met Silvia Bunt: 06-14667388, of per email: info@slimbeleid.nl.

Onderzoek helpt Deventer bij keuze organisatiemodel sociale teams

Deventer werkt sinds 2015 met sociale teams, die verantwoordelijk zijn voor onder andere de toegang tot de Wmo. De vijf deelnemende organisaties werken samen via een convenant dat eind 2016 afloopt. En de vraag is: hoe verder na 2016? Silvia Bunt van Slim Beleid en Sanneke Verweij van Movisie onderzochten de mogelijkheden en voor- en nadelen van diverse modellen voor de uitvoeringsorganisatie van de sociale teams vanaf 2017. Met behulp van de uitkomsten koos het college van B&W een nieuw organisatiemodel.

Welke drie modellen?
In het onderzoek zijn op verzoek van de gemeente Deventer de volgende drie modellen bekeken:

Model 1: de projectorganisatie (huidig model Deventer)
De gemeente besteedt de sociale teams uit aan meerdere aanbieders. Medewerkers blijven in dienst bij hun eigen organisaties, er is een subsidie- of inkooprelatie tussen de gemeente en de aanbieders, met rechten en plichten. In de gemeente Deventer is de samenwerking vastgelegd in een samenwerkingsconvenant.

Model 2: Hoofdaanbieder met onderaannemers
De gemeente besteedt de sociale teams uit aan één hoofdaanbieder. De opdrachtnemer krijgt specifiek budget om het wijkteam samen te stellen, medewerkers blijven in dienst bij hun eigen organisaties.

Model 3: Aparte juridische entiteit
De gemeente besteedt de sociale teams uit aan een speciaal opgerichte rechtspersoon. Medewerkers zijn allemaal in dienst van die rechtspersoon (bijvoorbeeld een stichting of coöperatie) of worden gedetacheerd naar de rechtspersoon.

Een ander alternatief is dat de gemeente het beheer van het wijkteam in zijn geheel overneemt en alle medewerkers in dienst van de gemeente treden. Dit model is niet onderzocht, omdat geen van de partijen dit als wenselijk ziet.

Kader: Onderzoeksaanpak
Op basis van interviews met alle deelnemende partijen (De Kern, MEE IJsseloevers, Raster, Solis, en de gemeente Deventer) en desk research hebben de onderzoekers de voor- en nadelen van bovenstaande drie modellen op een rij gezet. Daarbij hebben ze een vergelijking gemaakt op de volgende aspecten: transformatie-opdracht, rollen gemeente en transparantie, slagkracht, kostenaspect, flexibiliteit, risico’s en wensen van medewerkers. De ervaringen van medewerkers zijn geïnventariseerd via een online enquête en in een discussiebijeenkomst. Hieruit is gebleken dat er bij de medewerkers van de sociale teams grote behoefte is om mee te denken over de toekomst van de sociale teams. Hierover zijn afspraken gemaakt met de gemeente. Voor de medewerkers zijn de volgende voorwaarden van belang:
• Onafhankelijke positie om vanuit het perspectief van de bewoner te kunnen kijken.
• Gelijkheid van medewerkers in termen van arbeidsvoorwaarden en rechten en plichten.
• Mogelijkheden voor maatwerk/out of the box denken.
• Het behoud van specialisme.
• Een platte organisatie met korte lijnen.

Collegebesluit voor een nieuw model
Het college kiest voor een voortgang in de samenwerking met de vier partijen, in de vorm van een aparte juridische entiteit voor de teams. Daarbij wil de gemeente de piofach taken nadrukkelijker bij de aparte entiteit neerleggen. Verantwoordelijkheid en budget voor deze taken komt bij de nieuwe entiteit. Welke juridische vorm de nieuwe entiteit gaat krijgen, is nog niet bekend. Dit kan bijvoorbeeld een stichting of coöperatie zijn.

Waarom deze keuze?
De gemeente neemt deze keuze op basis van drie argumenten :
1. Kracht van de lokale infrastructuur
De gemeente vindt het van belang dat de huidige samenwerking tussen lokale aanbieders en regionale aanbieders verankerd blijft. Er wordt gekozen voor een voortgang in samenwerking met de vier partijen, maar nadrukkelijker worden de sociale teams als aparte entiteit neergezet.
2. Heldere rollenscheiding gemeente
In het onderzoek is geconstateerd dat de gemeente verschillende rollen vervult: opdrachtgever, werkgever voor een deel van het personeel en daarmee één van de uitvoerende partijen, en een leidinggevende rol richting de manager van de sociale teams. De gemeente benoemt dat in het onderzoeksrapport constateringen staan die een heroverweging van de rol en de positie van de gemeente vragen.
3. Onafhankelijke positionering
De kracht van de lokale infrastructuur, het door elkaar lopen van de diverse rollen van de gemeente, maar ook de beeldvorming rondom het gebrek aan onafhankelijkheid wil de gemeente ondervangen door de sociale teams nadrukkelijker als een onafhankelijke entiteit neer te zetten. Weliswaar met een opdracht vanuit de gemeente, maar zonder directe sturing op de uitvoeringsorganisatie door de gemeente.

De gemeente is van mening dat met de oprichting van een nieuwe entiteit daadwerkelijk loskomen van de oude situatie en de transformatie meer kansen krijgt.

Kostenplaatje
De gemeente realiseert zich dat een overstap naar een nieuwe juridische entiteit extra tijdelijke kosten met zich mee kan brengen. Dat gaat om aanloopkosten voor de gemeente, bijvoorbeeld in het aanstellen van een kwartiermaker en ondersteuning op arbeidsrechtelijk en financieel vlak. Maar ook om frictiekosten bij de partnerorganisaties, omdat zij hun organisatie moeten aanpassen op de nieuwe situatie. Of een nieuwe juridische entiteit structureel hogere kosten met zich meebrengt, hangt af van de manier waarop de ondersteunende taken georganiseerd gaan worden.

Vervolgstappen
Volgende stap is dat de gemeente de samenwerkingspartners vraagt door middel van een opdrachtformulering om tot een business case te komen. In deze opdracht is een programma van eisen opgenomen.